Jantje Bosch

Varkens
De varkens stonden samengeperst in betraliede hokken. Ze piepten en gromden en wrongen zich langs elkaar heen. Er hing een niet te harden stank, weeïg, vettig, die ontstond doordat de geur van de uitwerpselen samensmolt met die van het voer. Een varkenslijf zei ‘wij zijn vlees, wij zijn genot, wij zijn vreten’; in hun onschuld waren ze zich van niets bewust, en voor Hero waren ze: voedsel. Voedsel en winst. Hero werd misselijk van de stank en kokhalsde. Tom  grijnslachte vanonder zijn lichtblauwe badmuts terwijl hij op de varkensbillen klopte. ‘Hero, kom,’ riep hij. ‘Kom in het hok. Ze doen niks. En zachter voegde hij eraan toe: ‘Je bent te laat. Again. Ik weet alles al van die krengen.’
‘Ach man, zanik niet,’ zei Hero. Hij aarzelde om het hok in te stappen hoewel ook de boer hem wenkte, bang om tegen de ijzeren hekken geplet te worden door die vadsige beesten. Hij liet zijn bruine haar door zijn vingers glippen in een poging het voor zijn ogen weg te schuiven. De boer, die zelf een slecht gebit had, duwde de varkenslijven hardhandig opzij en toonde gezonde… lees verder

Santpoort
ik fietste over de Slaperdijk
zag zijn wapperend gewaad
en op de zandige kruising
passeerde ik de poort

ik nam de verkeerde afslag
mijn tijd werd vroeger

het zwarte gewaad
zweeft over de velden
brengt ziekte en dood

de molen tegen de duinen
maalt schedels voor brood

nu verkoop ik drank
of wat ik maar in huis heb
het stinkt naar rotte vis

thuis wil ik niet blijven
in de donkere hut
zie ik de soldaten niet komen

ze voelen me levend
ik vlucht naast mijn zieke pony
– voetrot –

gevangen in de tijd

|